Donald Trump heeft Amerika geleerd om weer in zichzelf te geloven. Desnoods met hoge invoertarieven, forse subsidies en de slogan dat alles weer "Made in America" moet worden. Europa keek daar jarenlang wat meewarig naar. Wij geloofden in vrije handel, open grenzen en de gedachte dat de goedkoopste producent vanzelf de beste keuze was.
Die houding begint te kantelen.
Met de Industrial Accelerator Act kiest de Europese Commissie voor iets wat tot voor kort bijna vloeken in de Brusselse kerk was: economisch patriottisme. Geen open markt als religie, maar industriebeleid. Geen aanbesteding op de laagste prijs of beste prijs-kwaliteitverhouding, maar op strategische waarde. Geen blind vertrouwen in globalisering, maar een nadrukkelijke voorkeur voor Europese productie.
In keurige Brusselse taal heet dat "strategische autonomie". In gewone taal: Make Europe Great Again.
Dat klinkt verdacht veel als Trump. En eerlijk gezegd is dat geen toeval. Trump begrijpt iets wat Europese bestuurders jarenlang hebben genegeerd: wie zijn industrie verliest, verliest uiteindelijk ook banen, kennis, belastinginkomsten en geopolitieke invloed.
Europa heeft die les op de harde manier geleerd.
Tijdens corona kwamen leveringsketens stil te liggen. Daarna bleek hoe afhankelijk Europa was van Russisch gas. Intussen werd pijnlijk duidelijk dat China een dominante positie heeft opgebouwd in batterijen, zonnepanelen, kritieke grondstoffen en goedkope industriële productie. Terwijl Europa bleef praten over marktwerking, bouwden anderen aan macht.
Jarenlang heeft Europa precies het tegenovergestelde gedaan van wat de Verenigde Staten en China deden. We sloten onze markt open voor goedkope import, terwijl andere grootmachten hun industrie beschermden. China subsidieerde staal, zonnepanelen en batterijen. De Verenigde Staten kwamen met de Inflation Reduction Act en kochten massaal Amerikaans. Europa bleef hangen in aanbestedingsregels waarin een Chinese producent met lage prijzen vaak kon winnen van een Europese fabrikant die schoner produceerde en betere arbeidsvoorwaarden bood.
Dat was economisch naïef.
De Industrial Accelerator Act probeert dat nu te corrigeren. In de wet staan nieuwe eisen voor aanbestedingen van strategische producten zoals staal, cement, aluminium, batterijen, elektrische voertuigen, warmtepompen, zonnepanelen, windturbines en andere schone technologieën. Overheden moeten niet langer alleen kijken naar prijs, maar ook naar CO₂-uitstoot, circulariteit, leveringszekerheid en Europese oorsprong.
Dat is geen detail. Overheidsopdrachten in Europa vertegenwoordigen duizenden miljarden euro’s. Wie bepaalt waar dat geld naartoe gaat, bepaalt uiteindelijk ook waar fabrieken blijven staan, waar banen ontstaan en waar technologische kennis zich ontwikkelt.
De kern van de wet zit in de nieuwe Europese voorkeur. Voor strategische sectoren wil Brussel eisen stellen aan het aandeel Europese productie in producten die met publiek geld worden gekocht of gesubsidieerd. Bij elektrische voertuigen ligt zelfs een eis op tafel dat een groot deel van de onderdelen uit Europa moet komen. Ook staal, cement en aluminium moeten vaker afkomstig zijn van Europese, koolstofarme producenten.
Dat klinkt protectionistisch. Dat is het ook.
En misschien is dat precies wat Europa nodig heeft.
Want de wereld van 2026 is niet meer die van 2006. We hebben gezien wat er gebeurt als je afhankelijk wordt van Russisch gas, Chinese grondstoffen of Aziatische batterijfabrieken. De oorlog in Oekraïne liet zien hoe kwetsbaar Europa is wanneer essentiële productie elders plaatsvindt. Ondertussen verliest Europa terrein in industrie, innovatie en investeringen.
Critici zullen zeggen dat Europese voorkeur leidt tot hogere prijzen, meer bureaucratie en handelsconflicten. Dat risico bestaat. Lidstaten als Nederland en Duitsland zijn traditioneel huiverig voor al te harde "Buy European"-regels, omdat zij juist profiteren van open handel. Ook bedrijven vrezen eindeloze discussies over wat precies "Europees" is. Telt een Britse auto mee? Een batterij met Chinese grondstoffen maar Europese assemblage? Een windturbine met Turkse onderdelen?
Toch is niets doen een slechter alternatief.
Europa hoeft Trump niet te kopiëren. We hoeven geen muren te bouwen of importheffingen uit te delen alsof het verkiezingsconfetti is. Maar we mogen wel eindelijk ophouden met de gedachte dat strategische afhankelijkheid een natuurverschijnsel is. Dat is het niet. Het is een politieke keuze geweest.
De echte vraag is niet of "Buy European" botst met de vrije markt. De echte vraag is waarom Europa als enige grote economische macht dacht dat het géén industriebeleid nodig had.
Daarom moet "Buy European" ook geen excuus worden om inefficiënte bedrijven kunstmatig overeind te houden. Europese producenten moeten beter zijn, schoner zijn en innovatiever zijn. Niet simpelweg duurder en beschermd.
Maar de basisgedachte van de Industrial Accelerator Act is juist. Zonder fabrieken geen strategische autonomie. Zonder eigen productie geen echte energietransitie. Zonder economische macht geen politieke macht.
Trump wil Amerika weer groot maken door Amerikaanse producten te bevoordelen. Europa hoeft zijn toon niet over te nemen. Dat geschreeuw past niet bij ons.
Maar de onderliggende gedachte is verrassend bruikbaar.
Als Europa relevant wil blijven, zal het weer meer zelf moeten maken.