Eind jaren '80 kocht ik voor alle krijgsmachtsdelen van Defensie (herlaadbare) batterijen in. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Defensie stelt hoge eisen aan battrijen in het kader van langdurige opslag (tenminste 5 jaar). In het kader van weten wat je koopt heb ik onder andere de fabriek van Duracell in België bezocht waar hun AA-baterijen worden/werden gemaakt. En natuurlijk, in een van de vele goede restaurants die België rijk is, de dag met de leverancier smakelijk afgesloten.
In een tijd waarin batterijen de ruggengraat vormen van onze transitie naar duurzame energie denk aan elektrische auto's, zonne-energieopslag en smartphones komt de Europese Batterijenverordening (EU) 2023/1542 als een cruciale stap vooruit. Deze wetgeving, die sinds augustus 2023 van kracht is, gaat verder dan louter regulering; ze herdefinieert hoe we batterijen produceren, gebruiken en weggooien, met een scherp oog op milieubescherming. Maar hoe minimaliseren we de milieueffecten over de hele levenscyclus? En hoe stellen we inkoopeisen die fair zijn voor alle marktspelers? Laten we dit ontleden, gesteund op de kernprincipes van circulariteit en gelijkheid.
De verordening vervangt de verouderde Richtlijn 2006/66/EG en richt zich op de explosieve groei van batterijen, gedreven door elektrificatie. Haar doelstellingen zijn ambitieus: het voorkomen van milieuschade, het bevorderen van een circulaire economie en het waarborgen van strategische autonomie in de EU voor kritieke materialen zoals lithium en kobalt. Dit alles terwijl de interne markt intact blijft en innovatie wordt gestimuleerd. Belangrijk is de holistische benadering: batterijen moeten vanaf de ontwerpfase rekening houden met duurzaamheid, veiligheid en recyclebaarheid.
Centraal staat het minimaliseren van milieueffecten over de gehele levenscyclus. Deze cyclus omvat grondstofwinning (vaak in conflictgebieden met hoge impacts op biodiversiteit en water), productie (energie-intensief met CO2-uitstoot), gebruik (efficiëntie en levensduur) en einde-levensfase (recycling of afval). De verordening pakt dit aan met concrete maatregelen. Ten eerste beperkt ze schadelijke stoffen: kwik, cadmium en lood zijn streng gereguleerd, met limieten van respectievelijk 0,0005%, 0,002% en 0,01%. Uitzonderingen, zoals voor zink-lucht knoopcellen tot 2028, onderstrepen een pragmatische transitie.
Een sleuteltool is de koolstofvoetafdrukberekening, verplicht voor industriële batterijen (>2 kWh), elektrische voertuigbatterijen en lichte transportmiddelen vanaf 2025-2028. Deze levenscyclusanalyse (LCA) meet CO2-equivalenten per kWh, exclusief gebruiksfase, en leidt tot prestatieklassen en maximale drempels vanaf 2028-2031. Dit stimuleert producenten om schonere productieprocessen te adopteren, zoals hernieuwbare energie in fabrieken. Verder moeten batterijen minimale prestaties en duurzaamheid halen: oplaadbare batterijen behouden minstens 90% capaciteit na honderden cycli, en ze moeten gemakkelijk vervangbaar zijn door eindgebruikers of professionals. Software mag vervanging niet belemmeren, wat de levensduur verlengt en afval reduceert. Voor grondstoffen eist de verordening due diligence: bedrijven met een omzet boven €40 miljoen moeten risico's op mensenrechten- en milieuschendingen in de toeleveringsketen aanpakken, inclusief biodiversiteitsverlies en klimaatverandering. Vanaf 2031 moeten batterijen minimale percentages gerecyclede materialen bevatten, zoals 16% kobalt, 6% lithium en 85% lood, oplopend tot 26%, 12% en hoger in 2036. Dit vermindert afhankelijkheid van mijnbouw en verlaagt de ecologische voetafdruk.
Aan het einde van de cyclus staan recycling en hergebruik centraal. Inzamelingsdoelen stijgen: voor draagbare batterijen van 45% in 2023 naar 73% in 2030; voor lichte transportbatterijen 51% in 2028 tot 61% in 2031. Recyclingefficiëntie moet 65-80% bereiken per batterijtype in 2025-2030, met materiaalterugwinning van 90-95% voor kobalt, koper en nikkel, en 50-80% voor lithium. Herfabricage (remanufacturing) herstelt batterijen tot 90% originele capaciteit, terwijl herbestemming (repurposing) ze inzet voor opslag. Een digitaal batterijpaspoort traceert alles: koolstofintensiteit, herkomst en recyclingpotentieel, toegankelijk maar beveiligd.
Deze maatregelen reduceren impacts collectief: minder mijnbouw vermindert habitatverlies, lagere CO2 ondersteunt klimaatdoelen, en hogere recycling conserveert hulpbronnen. Uitdagingen blijven, zoals handhaving en kosten voor bedrijven, maar de verordening biedt overgangsperiodes en gedelegeerde actes voor aanpassingen.
Nu naar inkoopeisen: publieke overheden spelen een rol via groene publieke aanbestedingen (GPP: Green Public Procurement). Artikel 85 vereist dat bij aankoop van batterijen of producten ermee, milieu-impacts worden meegewogen. Dit bevordert lagere-impact opties via prijs-kwaliteitcriteria, modulerend bijdragen aan uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (EPR: Extended Producer Responsibility) op basis van koolstofvoetafdruk en gerecyclede inhoud.
Om discriminatie te vermijden, moeten de eisen natuurlijk wel voldoen aan EU-principes: objectiviteit, non-discriminatie, transparantie, proportionaliteit, effectiviteitsbeginsel en mededingingsbeginsel.