Wie levensmiddelen produceert of verhandelt in Nederland, weet al jaren waar hij aan toe is: in bepaalde gevallen moet een melding worden gedaan bij de toezichthouder. Die meldplicht volgt rechtstreeks uit Europese wetgeving en is geen vrijblijvende zaak. Toch bood de Meldwijzer Onveilige Levensmiddelen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit lange tijd houvast. De Meldwijzer hielp bedrijven bij de kernvraag: wanneer moet je melden en wanneer niet?
Met de nieuwe instructie die de NVWA op 19 januari publiceerde, lijkt die nuance echter grotendeels verdwenen. De boodschap is kort, dwingend en vooral: absoluut. “Ondernemers moeten (mogelijk) onveilige levensmiddelen altijd binnen 4 uur melden bij de NVWA.” Wie niet meldt, is “in overtreding”. Daarmee is de Meldwijzer feitelijk van tafel geveegd en vervangen door een instructie die eerder aanvoelt als een zero-tolerancebeleid dan als een interpretatie van bestaande wetgeving.
De vraag is dan ook: hoe verhoudt deze nieuwe instructie zich tot de wet, en waarom wringt dat?
Wat zegt de wet eigenlijk?
De meldplicht is vastgelegd in de Europese Algemene Levensmiddelenverordening. Die verplicht exploitanten om de bevoegde autoriteit onmiddellijk te informeren wanneer zij weten of redenen hebben om aan te nemen dat een levensmiddel dat zij in de handel hebben gebracht, niet aan de voedselveiligheidseisen voldoet. Cruciaal zijn hier twee elementen: kennis of een redelijke verdenking én het in de handel brengen. De wetgever heeft daarmee bewust gekozen voor een risicogestuurde benadering, waarin professionele beoordeling door het bedrijf zelf een rol speelt.
De oude Meldwijzer sloot daarbij aan. Die maakte onderscheid tussen situaties waarin sprake was van een daadwerkelijk risico voor de volksgezondheid en situaties waarin een afwijking weliswaar onwenselijk of niet-conform was, maar (nog) geen onveilig levensmiddel opleverde. Niet alles hoefde gemeld te worden; soms volstonden corrigerende maatregelen binnen het eigen kwaliteitssysteem.
De instructie: eenvoud of oversimplificatie?
De nieuwe NVWA-instructie laat die gelaagdheid los. Elk “mogelijk onveilig” levensmiddel moet worden gemeld, ongeacht fase in de keten of mate van risico, en binnen een harde termijn van vier uur. De instructie strekt zich bovendien uit tot levensmiddelen die zich nog niet op de Nederlandse markt bevinden, maar bijvoorbeeld in een douane-entrepot elders in Europa liggen en op bestelling zijn geïmporteerd door een Nederlands bedrijf.
Daarmee wordt de meldplicht feitelijk verbreed: niet alleen onveilige levensmiddelen, maar ook mogelijk onveilige levensmiddelen, in alle fasen van invoer tot opslag, vallen eronder. Dat gaat verder dan de letter van de wet, die nu juist een koppeling maakt met het in de handel brengen en met een concrete risicobeoordeling.
Waarom schuurt dit?
Het probleem zit niet zozeer in het streven naar voedselveiligheid – daar zal niemand tegen zijn – maar in de manier waarop een instructie de wettelijke norm lijkt op te rekken. Een toezichthouder mag uitleg geven over de wet, maar geen nieuwe verplichtingen creëren. Door melden tot de veilige standaard te verheffen ("altijd melden, anders overtreding"), verschuift de verantwoordelijkheid van een inhoudelijke risicoafweging naar een administratieve reflex.
Dat heeft gevolgen. Bedrijven zullen geneigd zijn om uit voorzorg alles te melden, ook bij geringe of theoretische risico’s. Dit kan leiden tot een overvloed aan meldingen, waardoor echte incidenten juist minder snel worden herkend. Bovendien ontstaat rechtsongelijkheid: wie de wet leest, ziet ruimte voor professionele afweging; wie de NVWA-website volgt, ziet vooral dreiging van handhaving.
Tot slot
De nieuwe instructie biedt duidelijkheid, maar tegen een prijs. Door de meldplicht te presenteren als een allesomvattende en onmiddellijke verplichting, lijkt de NVWA verder te gaan dan de wetgever heeft bedoeld. De vraag is of daarmee de voedselveiligheid werkelijk is gediend, of dat vooral de juridische spanning tussen wet en toezicht wordt vergroot. Voor levensmiddelenbedrijven resteert voorlopig weinig keuze: wie geen discussie wil met de toezichthouder, meldt. Maar dat is iets anders dan zeggen dat de wet dat ook daadwerkelijk eist.