We zijn inmiddels gewend geraakt aan een merkwaardige formulering: batterijen worden gepresenteerd als onderdeel van de schone energietransitie. Dat klinkt alsof een batterij zelf een vorm van schone energie is. Dat is het niet.

Een batterij produceert helemaal geen energie. Ze slaat energie op en geeft die later weer af. Dat lijkt een semantisch detail, maar het is belangrijk. Want zodra we de batterij niet langer als een magisch groen object beschouwen, moeten we kijken naar wat ervoor nodig is om haar te maken.

En dan wordt het verhaal aanzienlijk minder schoon.

Batterijen worden inmiddels overal ingezet. In smartphones en laptops, elektrische fietsen en gereedschap, auto's en vrachtwagens, schepen en vliegtuigen, thuisbatterijen, datacenters en elektriciteitsnetten. Vooral die laatste categorie groeit razendsnel. In 2025 werd wereldwijd 108 gigawatt aan nieuwe batterijopslag geïnstalleerd, veertig procent meer dan in 2024. Ongeveer tachtig procent daarvan was grootschalige opslag.

Dat is niet toevallig. Batterijen kunnen elektriciteit opslaan wanneer er veel wind- of zonne-energie beschikbaar is en die elektriciteit later beschikbaar maken. Ze kunnen het elektriciteitsnet stabiliseren en pieken in vraag en aanbod opvangen. De Internationale Energieagentschap noemt batterijopslag dan ook een cruciale technologie voor de energietransitie.

Maar het feit dat een batterij een nuttige rol speelt in een schoner energiesysteem, betekent niet dat de batterij zelf schoon is geproduceerd.

Daarvoor moeten we terug naar het begin.

Een batterij begint niet bij de assemblagefabriek. Ze begint bij een mijn.

Lithium moet worden gewonnen. Grafiet moet worden gewonnen en verwerkt. Voor bepaalde batterijchemieën zijn nikkel, kobalt en mangaan nodig. Daarnaast zijn onder meer koper, aluminium en verschillende andere materialen noodzakelijk voor batterijcellen, behuizingen, bedrading en elektronica.

Mijnbouw heeft gevolgen. Niet alleen vanwege de energie die ervoor nodig is, maar ook vanwege landgebruik, afvalstromen, watergebruik, biodiversiteitsverlies en verontreiniging. Het milieuprogramma van de Verenigde Naties waarschuwt al langer dat primaire metaalproductie grote hoeveelheden energie vergt en aanzienlijke lokale milieueffecten veroorzaakt, waaronder mijnbouwafval, luchtverontreiniging, watervervuiling en verlies van biodiversiteit.

Daar komt de raffinage bij.

Het gewonnen materiaal is immers nog geen batterijgrondstof. Het moet worden geconcentreerd, gezuiverd en chemisch verwerkt voordat het geschikt is voor batterijproductie. Vervolgens worden actieve materialen geproduceerd, elektroden gemaakt en cellen geassembleerd. Ook dat kost energie.

Daarom kijkt de IEA bij batterijen nadrukkelijk naar de volledige levenscyclus: van grondstoffenwinning en verwerking via cel- en batterijproductie tot gebruik en uiteindelijk recycling. De organisatie noemt juist de snel groeiende vraag naar batterijen en kritieke mineralen een belangrijke duurzaamheidskwestie.

De conclusie is dus onvermijdelijk: een batterij is geen schone energiebron en de productie ervan is geen schoon productieproces.

Maar daarmee zijn we er nog niet.

Want 'niet schoon' betekent niet automatisch 'slecht'.

Dat onderscheid wordt in het debat nogal eens vergeten. Een technologie kan milieubelasting veroorzaken en tegelijkertijd noodzakelijk zijn om de totale milieubelasting van een energiesysteem te verminderen.

Dat is precies de paradox van batterijen.

Een batterij voor een zonnepark kost energie en grondstoffen om te produceren. Maar die batterij kan ervoor zorgen dat elektriciteit uit zonnepanelen op een ander moment beschikbaar komt. Een batterij in een elektriciteitsnet kan vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen. Een thuisbatterij kan lokaal opgewekte elektriciteit tijdelijk opslaan. Een batterij in een laptop voorkomt niet dat er grondstoffen voor nodig zijn, maar maakt wel mobiele elektronica mogelijk zonder een permanente aansluiting op het elektriciteitsnet.

De waarde van een batterij moet daarom niet worden bepaald door de vraag of de batterij zelf 'schoon' is. De relevante vraag is wat de volledige keten en de toepassing gedurende de levensduur betekenen.

Daarbij ligt een enorm verbeteringspotentieel.

De eerste winst zit in de energie waarmee grondstoffen worden verwerkt en batterijen worden geproduceerd. Hoe schoner die energie, hoe kleiner de klimaatvoetafdruk van de batterij. De tweede winst zit in materiaalgebruik. Batterijtechnologie verandert voortdurend. Lithium-ijzerfosfaatbatterijen (LFP) hebben bijvoorbeeld een veel grotere rol gekregen en gebruiken geen nikkel of kobalt in hun kathode. Volgens de IEA waren LFP-batterijen in 2025 goed voor ongeveer negentig procent van de nieuwe batterijopslag.

De derde en misschien belangrijkste winst zit in recycling.

Een batterij moet niet worden beschouwd als een eenmalige verzameling grondstoffen die na gebruik afval wordt. Ze moet onderdeel worden van een materiaalkringloop. De Europese Unie heeft daarom regelgeving ingevoerd die niet alleen het gebruik van batterijen reguleert, maar de volledige levenscyclus: grondstoffen, productie, gebruik, inzameling, hergebruik en recycling.

Dat is geen theoretische ambitie. De EU heeft inmiddels concrete doelen vastgesteld voor recycling en materiaalterugwinning. Voor lithiumhoudende batterijen geldt bijvoorbeeld een recyclingefficiëntiedoelstelling van 65 procent vanaf eind 2025 en 70 procent vanaf eind 2030. Voor lithium zelf lopen de terugwinningsdoelstellingen op naar 80 procent vanaf 2031. Voor onder meer kobalt, koper en nikkel geldt vanaf 2031 een terug­winnings­doelstelling van 95 procent.

Daarmee verandert de discussie wezenlijk.

De vraag zou niet moeten zijn: "Zijn batterijen schoon?"

Nee. Dat zijn ze niet.

De betere vraag is: "Kunnen we batterijen produceren en gebruiken met een steeds kleinere totale milieubelasting?"

Het antwoord daarop is ja.

Maar dat vereist wel dat we stoppen met het gemakzuchtige idee dat iedere technologie die onderdeel is van de energietransitie automatisch duurzaam is. Een windturbine is geen natuurverschijnsel. Een zonnepaneel groeit niet aan een boom. Een batterij wordt niet uit 'groene energie' geboren.

De energietransitie is in werkelijkheid een grondstoffentransitie én een industriële transitie.

We vervangen een systeem dat voor een groot deel afhankelijk is van voortdurende verbranding van fossiele grondstoffen door een systeem dat veel meer afhankelijk wordt van elektriciteit, infrastructuur, metalen, mineralen, chemische processen en opslagtechnologie.

Dat maakt batterijen niet fout.

Het maakt ze verantwoordelijk.

Wie batterijen als 'schone energie' verkoopt, verkoopt een sprookje. Wie beweert dat batterijen daarom niet duurzaam kunnen zijn, maakt precies dezelfde denkfout vanaf de andere kant.

De werkelijkheid is lastiger en interessanter: batterijen zijn geen schone technologie. Ze kunnen wel een essentieel onderdeel worden van een schoner energiesysteem.

De voorwaarde is dat we de hele keten verduurzamen.

Van mijn tot raffinaderij. Van fabriek tot gebruik. Van afgedankte batterij terug naar bruikbare grondstof.

Pas wanneer we die volledige keten serieus nemen, mogen we het woord duurzaam gebruiken.

En zelfs dan met mate.